Deutsch Website, wo Sie Qualität und günstige https://medikamenterezeptfrei2014.com/ Viagra Lieferung weltweit erwerben.

Zufrieden mit dem Medikament, hat mich die positive Meinung propecia kaufen Viagra empfahl mir der Arzt. Nahm eine Tablette etwa eine Stunde vor der Intimität, im Laufe der Woche.

Microsoft word - lumeij def 28-11-2008.doc

Format “Onderzoeksprogramma Welzijn Gezelschapsdieren”
1. Titel project (project 4 van het programma welzijn GD)
Onderzoek naar achtergronden, preventie, en behandelingsmogelijkheden
voor verenplukken bij papegaaien
.
2. Deelnemende kennis/onderzoeksinstelling(en) en beschrijving specifieke
deskundigheid en/of ervaring op betreffende onderzoeksproject

In de faculteit Diergeneeskunde heeft het Departement Geneeskunde van Gezelschapsdieren al
decennia lang een afdeling vogels en bijzondere dieren. In de bijbehorende universiteitskliniek
wordt geneeskunde van vogels en bijzondere dieren op hoog niveau beoefend door Europees
erkende specialisten (Dr. J.T. Lumeij, Dr. N.J. Schoemaker, Dr. I. Westerhof). Het onderzoek in
dit veld heeft een internationale reputatie.
Het Departement Psychofarmacologie (UU, fac. Betawetenschappen) heeft een reputatie op
gebied van gedragsonderzoek, onder andere over gezond en afwijkend gedrag bij dieren en de
behandeling hiervan met psychofarmaca. Het departement Dier, Wetenschap en Maatschappij
(DWM) heeft een internationale reputatie op het gebied van gedragsonderzoek.
3. Naam projectleider (indien van toepassing met Wageningen UR-onderdeel) en
beschrijving specifieke deskundigheid en/of ervaring op betreffende
onderzoeksproject

Dr. J.T. Lumeij is hoofd van de Afdeling vogels en bijzondere dieren van het Departement Geneeskunde van Gezelschapsdieren, UU. Hij is Europees erkend specialist vogelgeneeskunde, en internationaal actief binnen deze specialisatie. Hij heeft vele publicaties op het gebied van vogelgeneeskunde en geneeskunde van bijzondere dieren op zijn naam staan. Met betrekking tot verenplukken bij papegaaien heeft hij gepubliceerd in een internationaal peer-reviewed tijdschrift (Lumeij & Hommers, 2008). Het onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van een promotietraject, door mw. drs. Y.R.A. van Zeeland, specialist vogelgeneeskunde in opleiding op de afdeling Vogels & Bijzondere Dieren). Dit zal onder directe begeleiding van Dr. J.T. Lumeij en, gedurende zijn afwezigheid, door Dr. N.J. Schoemaker, beiden dierenarts-specialist vogelgeneeskunde werkzaam op bovengenoemde afdeling.
4. Deelnemende contactperso(o)n(en) en beschrijving specifieke deskundigheid en/of
ervaring op betreffende onderzoeksproject
Prof. J. Rothuizen, hoogleraar interne geneeskunde van gezelschapsdieren en actief in het onderzoeken van hondenpopulaties op erfelijke ziekten (feno- en genotypisch). Op gebied van research is hij is coördinator van het facultaire focusprogramma “Tissue Repair” en (samen met prof Medema) van het universitaire focusprogramma “Growth and Differentiation”. Hij is hoofd van het Departement Gezelschapsdieren, waarbinnen het onderzoek naar verenplukken bij papegaaien zal worden uitgevoerd. Behalve de primaire onderzoekers, werkzaam op de afdeling Vogels & Bijzondere Dieren, bestaat de kerngroep uit een aantal andere leden. Mevr. Prof. Dr. F. Ohl is hoofd van het Departement Dier, Wetenschap en Maatschappij (DWM) en tevens coördinator van de facultaire onderzoekslijn “Emotie & Cognitie”. Dr. T.B. Rodenburg is recentelijk gepromoveerd op verenpikken bij pluimvee, en is nu werkzaam op het Animal Breeding Centre van de Universiteit Wageningen (WUR), een van de vooraanstaande instanties in Nederland waar op grote schaal onderzoek wordt verricht naar achterliggende oorzaken en preventiemogelijkheden voor verenpikken bij kippen. Dr. Korte houdt zich bezig met het onderzoeken van pathologische processen in de psyche, en is zeer intensief betrokken geweest bij het promotieonderzoek van Van Hierden, Buitenhuis, Riedstra en Rodenburg, en zal ook in de toekomst weer betrokken zijn bij hernieuwd onderzoek naar verenpikken bij leghennen. Ook hij heeft diverse publicaties met betrekking tot dit onderwerp op zijn naam staan (o.a. Korte et al, 1997, 1999) Daarnaast zal hij onderzoek gaan uitvoeren naar “excessive grooming” bij knaagdieren, waarmee eveneens een raakvlak bestaat. Met deze kerngroep zal een nauwe samenwerking plaatsvinden, waarbij kennis en kunde omtrent gedrag en diverse ‘grooming disorders’ bij mens en dier zal worden samengebracht. Binnen deze kern zal nauwgezet en op frequente basis (elke 2-3 maanden) overleg gevoerd worden. Naast de kerngroep zal ook overleg en samenwerking plaatsvinden met een grotere, internationale groep onderzoekers. Hieronder vallen de volgende personen: Prof. Dr. T. Groothuis (Departement Diergedrag, Universiteit Groningen) is in verleden en heden zeer intensief betrokken geweest bij onderzoek naar verenpikken bij kippen. Dr. B. Riedstra (Departement Diergedrag, Universiteit Groningen), mevr. dr. Y.M. van Hierden (ECO Style Animal Care, Leeuwaarden) en dr. B.J. Buitenhuis (Faculteit Landbouwwetenschappen, Aarhus University, Denemarken) zijn – net als Dr. T.B. Rodenburg – allen recentelijk gepromoveerd op verenpikken bij pluimvee, en hebben daarbij ieder een eigen onderzoekslijn vertegenwoordigd. Prof. Dr. D. Denys (Afdeling Biologische Psychiatrie, AMC, Amsterdam) is een psychopatholoog die in het dagelijks leven onderzoek doet naar obsessive compulsive disorder en impulse-control disorders, waaronder ook trichotillomanie bij mensen gerekend kan worden. Deze ziekte vertoont veel gelijkenissen met psychogeen verenplukken (pterotillomanie) bij papegaaien, waardoor samenwerking voor beide groepen positief resultaat kan opleveren. Dr. N. Forbes (FRVS, Dipl. ECAMS; Great Western Referrals, UK) is als dierenarts specialist vogelziekten de rol van geslachtshormonen bij het verenplukken aan het onderzoeken, terwijl Dr. B. Speer (DVM, Dipl. ABVP-Avian, Dipl. ECAMS; the Medical Center for Birds, Oakley, California, USA) als dierenarts-vogelspecialist zich met name heeft toegelegd op het behandelen van gedragsproblemen en welzijn bij papegaaien en een zeer goede en vooraanstaande reputatie heeft opgebouwd op dit gebied in Amerika. Prof. Dr. B.M. Spruijt, werkzaam als hoogleraar op de faculteit Biologie, is een internationaal gerenommeerd onderzoeker op het gebied van diergedrag, en heeft zich met name ook verdiept in het belang van poetsgedrag (o.a. Spruijt et al., 1992). Zijn expertise op dit gebied en advies omtrent het uitvoeren van onderzoek naar achterliggende mechanismen en functionaliteit van poetsgedrag worden belangrijk geacht in het onderzoek naar verenplukken bij papegaaien. Met bovengenoemde groep personen zal eveneens regelmatig (ca. 1x per half jaar) overleg plaatsvinden, voor advies en ideeen omtrent de invulling en uitvoering van de diverse onderzoeken. 5. Samenstelling begeleidingscommissie (met vermelding contactperso(o)n(en) LNV en
LNV-directie)
Drs. E. Virginia (Dierenbescherming), Drs. F.A.L.M. Verstappen, Drs. J. Moorman-Roest, Drs. N.S. van Dijk (LNV). 6. Korte omschrijving van project met vermelding van diersoorten waarop project ziet
Probleem: Verschillende papegaaien behoren tot de meest gehouden “bijzondere” dieren die als
gezelschapsdier worden gehouden. Een zeer frequent optredend probleem is het verenplukken,
waarmee de dieren zichzelf vaak volledig kaal plukken of zelfs ernstig verminken. In de
gezelschapsdierenpraktijk is dit veruit het meest dominante probleem dat bij vogels wordt gezien.
Het wordt naar schatting gezien bij 10% van de als gezelschapsdier gehouden papegaaien
(Grindlinger, 1991). Het verenpikken dat bij kippen die in grote groepen worden gehuisvest
wordt gezien, en waarbij kippen elkaar kunnen kaalpikken, en het haartrekken bij mensen
(trichotillomanie) betreffen waarschijnlijk verwante aandoeningen. Daarom is samenwerking
gezocht met onderzoekers op deze gebieden. Er is internationaal enig onderzoek verricht naar dit
probleem, waarmee iedere gezelschapsdieren-dierenarts in Nederland regelmatig wordt
geconfronteerd. Oorzaken of mogelijkheden het probleem afdoende te behandelen of te
voorkomen zijn hiermee echter niet gevonden. In een pilotonderzoek in de faculteit der
Diergeneeskunde te Utrecht zijn sterke aanwijzingen gevonden dat de sociale omgeving één van
de meest bepalende factoren is voor het ontstaan van verenplukken, maar dat een gebrek aan
omgevingsstimuli waarschijnlijk de onderliggende oorzaak vormt. Het vinden van de cruciale
(sociale of andere) prikkels die kunnen worden aangeboden om verenplukken te voorkomen lijkt
hiermee met goed opgezet onderzoek realiseerbaar.
Achtergrond van het project.
Als reactie op een groeiende ongerustheid in de Nederlandse samenleving over het welzijn van
gezelschapsdieren heeft de minister van LNV begin 2005 de Raad voor Dierenaangelegenheden
verzocht het Forum Gezelschapsdieren in te stellen om tot afspraken te komen die het welzijn
van gezelschapsdieren in Nederland kunnen verbeteren. Het Forum signaleerde vrij veel
welzijnsproblemen bij gezelschapsdieren. Op basis hiervan is door de minister van LNV besloten
een onderzoeksprogramma te formuleren exclusief gericht op gezelschapsdieren, met als doel
houders van dieren en hun organisaties op termijn te voorzien van bruikbare kennis en inzichten
ter verbetering van welzijn van gezelschapsdieren in de praktijk. Het Landelijk
Informatiecentrum gezelschapsdieren zou een rol kunnen spelen bij de verspreiding van deze
nieuwe informatie.
Om inhoudelijk een goed programmavoorstel te formuleren dat bovendien gedragen wordt door
dierhouders en de sector heeft de projectorganisatie (FD, WUR, LNV) op basis van een enquete
de meest urgente welzijnsproblemen bij gezelschapsdieren geformuleerd. Er werd geconcludeerd
dat de belangrijkste welzijnsproblemen bij vogels samenhangen met zootechnische problemen en
gebrek aan deskundigheid. Aangegeven oplossingsrichtingen voor geprioriteerde
welzijnsproblemen omvatten o.a. onderzoek naar de oorzaak van welzijnsproblemen bij vogels
in combinatie met betere voorlichting. Het verenplukken bij papegaaien is verreweg het best gedocumenteerde welzijnsprobleem bij als gezelschapsdier gehouden vogels met een prevalentie van 10 tot 12%. 7. Doelgroep(en) en kennisbehoefte c.q. welzijnsprobleem doelgroep(en)
Zie ook vraag 6.
Kennis en begrip van de achtergronden van dit ernstige welzijnsprobleem kan goede preventieve maatregelen opleveren. Deze kunnen worden verwerkt in belangrijk onderwijs- en informatiemateriaal dat verder kan worden ingebracht en ontsloten via het LICG en de onderwijsprogramma’s van de universiteiten (UU, WUR) en andere onderwijsinstellingen die zich bewegen op dit gebied. Therapeutische maatregelen zullen vooral ten bate komen van de gezelschapsdierenarts die niet alleen een voorlichtende rol heeft om welzijnsproblemen te voorkomen maar ook in staat wordt gesteld eenmaal ontwikkelde gevallen met succes te behandelen. 8. Doelstelling van het project (indien van toepassing: korte termijn versus lange
termijn)
Doel van het Onderzoek: Het doel van dit onderzoek is om een eenvoudige methode te
ontwikkelen om het belangrijkste welzijnsprobleem bij papegaaien, het verenplukken te
voorkomen.
De grootste uitdaging van dit onderzoeksproject is om de oorzaak van het verenplukken te
identificeren en op basis hiervan een voor de papegaaienhouder en/of dierenarts eenvoudig
toepasbaar advies te formuleren ter preventie van het probleem. Hieronder vallen ook een juiste
huisvesting en sociale omgeving.
Uitgebreidere vraagstelling:
Veel van de literatuur over verenplukken bij papegaaien is gebaseerd op ‘expert opinion’ en niet op wetenschappelijk onderzoek. De complexiteit van dit gedrag maakt dat het één van de moeilijkste (gedrags)problemen is om aan te pakken en te behandelen. Vergelijking met overeenkomstige gedragsproblemen bij mensen en andere diersoorten (vogelsoorten) kan helpen bij het ontwikkelen van nieuwe experimentele studies en het verkrijgen van beter inzicht. Mogelijke overeenkomsten zijn te vinden bij zowel verenpikken bij kippen als trichotillomanie bij de mens (zie tabel 1). Table 1. Comparison of the main characteristics of three grooming disorders (feather picking in parrots, trichotillomania in humans and feather pecking in laying hens) Feather picking disorder in Trichotillomania in humans Feather pecking in laying hens 2002, Meehan et al., 2003; Meehan et al., 2004; Garner et al., 2006) Suspected (Rosskopf, 1986; Yes (e.g. Christenson et al., - Serotonine reuptake inhibitors +* (Mertens, 1997; Seibert, - Minor tranquilizers: diazepam +* (Seibert, 2007) + (Van Hierden, 2003; Van Krimpen et al., 2005) + (Buitenhuis, 2003; Ellen et al., 2008). * = Suspected, based on favourable results in individual case reports or case series, but not proven in placebo-controlled, randomized clinical trials; ? = Not investigated (yet) Lantermann (1998) stelt dat drie belangrijke aspecten aan het houden van vogels verantwoordelijk kunnen zijn voor het veroorzaken van verenplukken bij papegaaien: 1) grootte en inrichting van de kooi; 2) de hoge mate van emotionaliteit en intelligentie van de papegaai, in combinatie met het sterk geconserveerde natuurlijke gedrag (dat veel gelijkenis vertoont met wilde vogels); en 3) de hoge sociale behoefte. Op basis hiervan kunnen ook verschillende motivationele of aetiologische achtergronden van verenplukken worden beredeneerd: a) ‘coping’ strategie – omgang met negatieve emoties en ervaringen (bijv. stress, eenzaamheid, verveling, verlatingsangst, sexuele frustratie). Deze theorie wordt ten dele ondersteund door het feit dat verenplukken vooral gezien wordt bij plotselinge veranderingen in de omgevingssituatie (Westerhof & Lumeij, 1987). Daarnaast is een zeer nauwe relatie vastgesteld tussen het optreden van stress en uitvoeren van poetsgedrag (Spruijt et al., 1992), als vorm van stressvermindering door activatie van specifieke hersenpaden. b) overdreven, ongepaste vorm van natuurlijk gedrag als gevolg van verminderde tijdsbesteding aan andere natuurlijke gedragingen, waardoor de duur, frequentie en/of intensiteit van het poetsgedrag toeneemt. Factoren die hieraan debet kunnen zijn, hebben vooral een sociale achtergrond (slechte socialisatie, handopfok/imprinting op de mens, onvoldoende mogelijkheid om juist poetsgedrag te leren, onvoldoende routine, kortwieken). Ook is vastgesteld dat poetsgedrag een functioneel gedrag is wat met name plaatsvindt op momenten van rust, tussen het uitvoeren van andere gedragingen in (Spruijt et al., 1992). Door een veranderde tijdsbesteding t.o.v. de natuurlijke situatie is er toename van de tijd die besteedt kan worden aan verenpoetsen. Ten dele kan deze motivatie daarom ook samenhangen met een volgende motivationele reden: c) redirectie-gedrag – omgericht fourageergedrag. Deze hypothese is door Lumeij & Hommers (2008) voorgesteld en getest. In het wild besteden vogels namelijk tot 6 uur aan fourageren, terwijl dit in gevangenschap beperkt is tot slechts 30-72 minuten (Snyder et al., 1987; Oviatt & Millam, 1997). Als gevolg van gebrek aan juiste stimuli zal verenplukken kunnen ontwikkelen. d) stereotiep, habitueel gedrag (in het kader van stress-respons of natuurlijk gedrag). Dit speelt met name in geval van vogels waarbij het gedrag al langere tijd gaande is, en daardoor specifieke hersenpaden (opiaat, dopaminerge, serotoninerge systemen) ingeschakeld worden, waardoor het gedrag in stand gehouden wordt (zelf-belonend gedrag) e) sociale functie in geval van plukken van andere vogels (zgn. ‘cage-mate plucking’), waarbij het poetsen van de partner (‘allopreening’) leidt tot het ontwikkelen van een band, en eventuele agressie kan verminderen (Spruijt et al., 1992) Bij mensen met trichotillomanie kunnen ten dele vergelijkbare motivationele achtergronden ontdekt worden. Het haartrekken kan namelijk optreden tijdens ‘rustperiodes’ op de dag, waarbij mensen bijvoorbeeld aan het lezen of televisiekijken zijn (Christensen et al., 1991; DuToit et al., 2001). Daarnaast kan ook het haartrekken gezien worden vlak na het doormaken van negatieve emoties (Christensen et al., 1993; Diefenbach et al., 2002), als een soort van coping-strategie om emoties te kunnen reguleren. Tenslotte kan ook een vorm van habituatie optreden, waarbij mensen nauwelijks doorhebben dat ze aan hun haren trekken (Christenseon & Crow, 1996). Ook bij vergelijking met verenpikken bij kippen kunnen dezelfde motivationele achtergronden worden ontdekt. Motivationele achtergronden die bij kippen genoemd worden zijn: a) coping strategie voor stress-situaties, waarbij ook veranderingen en een suboptimale omgeving (met name op jonge leeftijd) een rol spelen bij het ontwikkelen van dit gedrag (Rodenburg, 2003); b) sociale exploratie om hierarchie vast te stellen en binding met andere vogels te verkrijgen (m.n. in geval van “gentle feather pecking”; Riedstra, 2003); c) omgericht fourageergedrag (Blokhuis, 1986); en/of d) omgericht zandbaden (Vestergaard et al., 1993) In alle drie gedragsstoornissen kunnen dus vergelijkbare achtergronden en factoren genoemd worden die van invloed zijn op het ontwikkelen van dit gedrag. De hypothese die in alle drie gevallen lijkt te passen is dat het optredende gedrag een reactie is op een stressvolle omgeving of een omgeving die niet voorziet in alle benodigde prikkels, en daardoor dus tot stress leidt. Omdat het gedrag zelf als beloning kan fungeren (bij gebrek aan natuurlijke beloning) en hierdoor de depressie (als gevolg van stress en activering van het mesolimbische systeem) tegen kan gaan, kan vervolgens een habituatie van het gedrag optreden. Op basis van deze hypothese, waarbij overeenkomstige achtergronden worden verondersteld, en het aantonen van analogieen voor wat betreft predisponerende factoren, triggers en omstandigheden waaronder het gedrag optreedt alsmede reacties op behandelingen, is het te rechtvaardigen om bij het onderzoeken van verenplukken bij papegaaien gebruik te maken van de kennis en kunde met betrekking tot trichotillomanie bij mensen, zoals eerder ook werd voorgesteld door Bordnick et al. (1994), en verenpikken bij kippen. Door samenwerking met experts op deze gebieden kan vervolgens een beter inzicht worden verkregen in de gedragsproblematiek. Verder onderzoek kan vervolgens helpen om vast te stellen of de veronderstelde overeenkomsten ook daadwerkelijk bestaan. Daarnaast kunnen, op basis van vergelijkbaar opgezet onderzoek bij mensen en kippen, studies worden opgezet om de achterliggende factoren en mechanismen te ontrafelen, op basis waarvan een strategie voor preventie en behandeling ontwikkeld en geëvalueerd kan worden. Onderzoeksvraag:
Wat zijn de belangrijkste factoren die meespelen in het ontwikkelen en onderhouden van
verenplukken bij papegaaien en hoe kan hierop preventief en therapeutisch het beste
worden ingespeeld?
Deelvragen:
1. Wat is de werkelijke prevalentie van verenplukken bij papegaaien binnen de populatie op dit
moment? Is deze vergelijkbaar met de 10% zoals die door Grindlinger in 1991 is genoemd? Zijn er mogelijk verschillende vormen te onderscheiden (zoals bij kippen is vastgesteld, zie Savory, 1995)? (enquête) 2. Wat zijn de predisponerende factoren voor verenplukken (soortpredispositie, geslachtspredispositie, leeftijdpredispositie, wildvang/gevangenschap, handopfok, opfok door oudervogels)? Zijn deze overeenkomend met de inzichten zoals die tot op heden bestaan? (enquête + geslachtsbepaling bij verenplukkende papegaaien) 3. Welke omgevingsfactoren en stressoren spelen een belangrijke rol bij het ontwikkelen of in stand houden van verenplukken bij papegaaien? Hiermee direct samenhangend: welke preventieve maatregelen dienen genomen te worden om dit probleemgedrag te voorkomen? (d.w.z. aanbieden van specifieke stimuli danwel elimineren van specifieke stressoren) (enquete, gedragsobservaties, experimenteel onderzoek) 4. Zijn er verschillen en hiaten in tijdsindeling tussen papegaaien die verenplukken en papegaaien die dit gedrag niet vertonen? Op welke momenten treedt verenplukken op? (Is dit bijv. vergelijkbaar met de rustmomenten waarop men bij mensen het haartrekken kan observeren.) Zijn specifieke triggers te ontdekken of aan te dragen (d.w.z. aanbieden stressor of elimineren stimulus) waarna verenplukgedrag geobserveerd kan worden (waarbij dit fungeert als zgn. coping strategie / redirectiegedrag) (gedragsobservaties, experimenteel onderzoek, clinical trial). N.B. Het concept van contra-freeloading speelt hierbij een belangrijke rol, omdat dit een van de belangrijkste gedragingen is waarbij een duidelijk verschil te ontdekken is tussen papegaaien uit het wild en papegaaien die in gevangenschap gehouden worden. Het ontbreken van de mogelijkheid om te fourageren, heeft zowel een effect op tijdsbesteding als een effect op aanwezigheid van zelfbelonend gedrag, waardoor stress kan optreden die kan leiden tot het uitvoeren van ander belonend gedrag (verenplukken). Het kunnen aantonen van het belang van uitvoeren van natuurlijk gedrag, met het aanbieden van natuurlijke stimuli, kan zeer belangrijke implicaties hebben voor wat betreft mogelijkheden om optreden van verenplukken te voorkomen. 5. Hoe kan op een objectieve manier het effect van therapeutische en preventieve maatregelen worden geevalueerd? Dit met name ook in verband met het kunnen toepassen van dergelijke evaluatiesystemen in de praktijk, en ten behoeve van gebruik in multicenter trials, waarbij een eenduidige scoringsmethode dient te worden toegepast om effecten goed te kunnen beoordelen. (vaststellen intra- en inter-onderzoeker variantiecoefficient van diverse scoringsmethoden, vergelijking van verschillende methoden) 6. In hoeverre speelt stress(gevoeligheid) een rol bij het ontwikkelen van verenplukken? Met name deze vraag ook in verband met het type coping strategie die bij individuen aanwezig is, zoals dat bij kippen ook is aangetoond. Geldt ditzelfde ook voor papegaaien? Hierbij zijn met name bepalingen van stresshormonen en reactie op stressoren belangrijk. Bestaan er soortverschillen (grijze roodstaarten meer stressgevoelig)? (enquête + bloed + fecesonderzoek corticosteron) 7. Spelen hormonale veranderingen een belangrijke rol bij het ontwikkelen van verenplukken (in het kader van zgn. seksuele frustratie)? Zijn hierbij soort- en geslachtsverschillen aanwezig (kaketoes meer gevoelig voor hormonale invloeden dan grijze roodstaarten? Vrouwelijke vogels > mannelijke vogels?) (bloedonderzoek, geslachts- en hormoonbepalingen) NB In deze vraag zit tevens een mogelijke methode van behandeling en/of preventie opgenomen, namelijk: kan door middel van het reduceren van geslachtshormonale invloed (chirurgisch of medicamenteus ingrijpen met bijv. GNRH agonist) voorkomen worden? Deze methode van preventie kan onderzocht worden wanneer daadwerkelijk blijkt dat er geslachtshormonale invloed is 8. Is verenplukken mogelijk een uiting van omgericht foerageergedrag, zoals dit ook bij kippen aannemelijk is gebleken? In hoeverre kan het aanbieden van voedselpuzzels om foerageergedrag te stimuleren het verenplukken reduceren? Deze vraag is ten dele al beantwoord door experimenteel onderzoek van Lumeij & Hommers (2008), maar teneinde deze hypothese te staven in huiselijke situatie is onderzoek met patiënten noodzakelijk (clinical trial). In dit kader speelt met name ook het zgn. ‘contra-free-loading’ concept een belangrijke rol, waarbij een dier – bij vrije keuze – de voorkeur geeft aan uitvoeren van foerageergedrag (‘earned food’) boven direct-beschikbaar voedsel (‘free food’) (Inglis et al., 1997, Inglis et al., 2001, Lindqvist, 2006). Is ditzelfde concept toepasbaar op papegaaien? (experimenteel onderzoek, patiëntgebonden onderzoek/clinical trial). N.B. Op basis van de huidige onderzoeksgegevens lijkt een aantal papegaaien zeker aan dit concept te voldoen en de voorkeur te geven aan te werken voor het voedsel/beloning ten opzichte van het vrij verkrijgbaar hebben hiervan. Met name resultaten van dit gedragsonderzoek worden als zeer waardevol geacht voor wat betreft preventie van verenplukken, waarbij nadruk komt te liggen op het nabootsen van het natuurlijke gedrag en aanbieden van natuurlijke stimuli van de papegaai, die als niet-gedomesticeerde diersoort beschouwd kan worden en daarmee dus veel gelijkenis vertoont met soortgenoten in de vrije natuur. 9. Welke neurotransmitters en hersengebieden spelen een rol bij het ontwikkelen en in stand houden van verenplukken bij papegaaien? Omdat dit een vraag is die in het levende dier alleen te onderzoeken zijn middels invasieve ingrepen (onderzoek liquor), of inhoudt dat een aantal papegaaien geëuthanaseerd moet worden (in het kader van post-mortem onderzoek van geëuthanaseerde dieren, waarbij direct na euthanasie met immuunhistochemische kleuringen en bepalen niveaus neurotransmitters die snel veranderen na euthanasie/sterfte), is hiervoor een beter alternatief het gebruik van psychofarmaca. Door middel van gebruik van psychofarmaca kunnen aanwijzingen worden verkregen over de betrokken paden, en tegelijkertijd geeft het een mogelijkheid tot therapeutisch ingrijpen, zeker bij verenplukkende papegaaien waarbij omgevingsveranderingen en verrijking onvoldoende effect geven. Hoe effectief zijn de verschillende psychofarmaca die voorhanden zijn (dopamine antagonist, opiaat receptorblokker, serotonine antagonist, tricyclisch antidepressivum)? Zijn er bijwerkingen te verwachten bij gebruik van specifieke psychofarmaca? Ook kunnen voedingsadditieven worden gebruikt, te denken valt aan het natuurlijke aminozuur tryptofaan welke in de hersenen wordt omgezet in de neurotransmitter serotonine. Eerder onderzoek uit de groep van Korte heeft laten zien dat toevoeging van tryptofaan aan het voer verenpikken in vogels sterk reduceert (van Hierden, 2003). (experimenteel onderzoek + clinical trials met patiënten, multicenter research, bloedonderzoek ter controle van niveau´s). Daarnaast kan echter wel soortoverschrijdend onderzoek bij kippen hiervoor een goede basis vormen, omdat bij kippen het meer invasieve onderzoek wel mogelijk is. Bepaalde hypothesen en betrokkenheid van neurotransmitter systemen kunnen eerst bij kippen onderzocht worden om opgestelde hypothesen te toetsen, waarna vervolgens klinische toetsing bij papegaaien plaatsvindt. In dit kader kunnen bij kippen minder invasieve methoden worden ontworpen en getoetst (zoals bloedonderzoek en evt. liquoronderzoek op neurotransmitters, vaststellen van correlatie met hersenniveaus) die dan op hun beurt bij papegaaien toegepast kunnen worden. Op basis van evaluatie van de functie van diverse neurotransmittersystemen kan geconcludeerd worden dat diverse neurotransmitters tijdens de verschillende stadia van het verenplukken een rol kunnen spelen. Vervolgens zou een specifieke medicatie geadviseerd kunnen worden, die mede afhankelijk is van de tijdsduur van het plukgedrag. Op basis hiervan zijn de volgende vragen geformuleerd: - Werken opiaat receptor blokkers goed in patiënten die kortdurend plukken (gezien hypothese dat met name endorfines betrokken zijn in deze situatie?) - Werken dopamine antagonisten goed in patiënten die langdurig plukken (gezien hypothese dat verschuiving naar dopamine systeem optreedt in later stadium). Grens bij bepaling van keuze voor specifieke medicatie voor plukken op ca. 1 jaar. - Werken tricyclische antidepressiva goed bij automutilerende kaketoes (gezien hypothese dat deze dieren ´depressief´ zouden zijn door frustratie?) 9. Opzet onderzoeksproject (waarbij inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze het
onderzoeksproject uitgevoerd wordt, bijvoorbeeld type onderzoek
(praktijk/literatuur etc.) en waarbij eventuele samenwerkingswijze en
cofinanciering met/door derden wordt beschreven) en tijdspad onderzoeksproject

Dit project heeft een looptijd van 4 jaar. Werkplan komende 4 jaar: Teneinde bovengenoemde vragen te beantwoorden worden de volgende onderzoeken voorgesteld: a. Epidemiologisch onderzoek bij papegaai-eigenaren via diverse Nederlandse organisaties van papegaaienliefhebbers (o.a. Pakara) en buitenlandse papegaaienverenigingen en specialistische vogelklinieken van ECAMS-diplomates. Door enquêtering van eigenaren van papegaaien kan onderzocht worden wat de daadwerkelijke frequentie is van voorkomen van verenplukken bij papegaaien, wat mogelijke predisponerende factoren zijn (bijv. leeftijd, soort) en wat mogelijke omgevingsfactoren zijn die invloed hebben op het ontwikkelen en in stand houden van verenplukken bij papegaaien. 2. Vaststellen scoringsmethoden door statistische evaluatie Om het effect van behandeling of preventieve maatregelen te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om een objectieve en betrouwbare methode te gebruiken teneinde verbetering of verslechtering te evalueren. Een methode die hiervoor in het verleden gebruikt is, is de zgn. veerscore volgens Meehan et al. (2002, 2003). Een nadeel van deze methode is dat uitsluitend de lichaamsdelen worden meegenomen die van afstand gezien kunnen worden (rug, buik, staart en bovenzijde vleugels). Als voorkeurslocatie blijkt het plukken echter vaak ook aan de onderzijde van de vleugels op te treden (observaties vanuit de praktijk, tevens ook in literatuur genoemd). Daarnaast is in een aantal gevallen binnen de gradering weinig nuancering mogelijk. Een aanpassing van dit systeem lijkt daarom gerechtvaardigd, waarbij de genoemde aspecten wel worden meegenomen. Om te evalueren of de (beide) methoden objectief en betrouwbaar genoeg zijn dienen deze allereerst aan een analyse onderworpen te worden, waarbij o.a. inter- en intra-onderzoeker variantie dienen te worden vastgesteld. Daarbij is tevens van belang dat ook gebruik wordt gemaakt van fotografisch vastgelegde beelden van papegaaien met afwijkend verenkleed, gezien het feit dat hierdoor onderzoek dubbelblind uitgevoerd kan worden, en daarnaast goede multicenter research kan worden uitgevoerd, met vergelijkbare en reproduceerbare resultaten. 3. Laboratoriumbepalingen van hormonen (bloed/feces) a. Verzamelen van feces/urine van gezonde en verenplukkende vogels (ged. 24 uur) voor vaststelling van corticosteronconcentraties (en kreatinine concentraties, voor bepaling corticosteron-kreatinine ratio). Omdat met name diverse vormen van stress (door afwezigheid van adequate stimuli, aanwezigheid van stressoren) worden genoemd als een achterliggende trigger voor verenplukken. Owen et al., 2006 gaf in een kort onderzoek al suggesties dat corticosteron concentraties in feces bij verenplukkende grijze roodstaarten hoger te zijn dan in niet-plukkende vogels, suggererend dat deze andere coping strategie en hogere gehaltes aan stressniveau correleren aan het optreden van verenplukken. Mogelijk bestaan hierbij soortverschillen (grijze roodstaart vs. kaketoe), en kunnen de soorten onderling vergeleken worden. Om echter na te gaan of dit een betrouwbare methode is zouden bijvoorbeeld plasma corticosteronconcentraties gemeten moeten worden (en correlatie tussen beide vastgesteld). Daarnaast ook bepaling van referentiewaarden bij “gezonde” vogels. b. Bepaling van geslacht en geslachtshormonen bij verenplukkende vogels, en vergelijking met niet-plukkende vogels om te evalueren of geslachtshormonale invloeden een rol spelen bij het plukken van papegaaien. Zijn hierbij soortverschillen aanwezig (kaketoe vs. Grijze roodstaart). Vergelijkbare effecten van hormonen zijn gevonden bij mensen (Ketheun et al., 1997) en kippen (McKeegan & Savory, 2000). c. Invloed van thyroxine (schildklierfunctie) op plukken bij papegaaien. Bepalen van hormoonconcentraties van Thyroxine en TSH en TSH-stimulatietest ten einde de hypothese dat schildklierfunctieveranderingen (hypo- en hyperthyreodie) een rol spelen te ontkrachten of aannemelijker te maken. Door middel van uitgebreid gedragsobservaties van verenplukkende en niet-verenplukkende papegaaien kunnen inventarisaties gemaakt worden voor wat betreft tijdsbesteding en verschillen daarin tussen beide groepen (time lapse recorder). Daarnaast kunnen op deze wijze ook mogelijke triggers en specifieke tijdstippen (bijv. na voeropname, tijdens rust) waarop een piek in het plukgedrag gezien wordt, worden vastgesteld. Tevens is het mogelijk om op deze wijze de reactie van de verschillende papegaaien vast te stellen voor wat betreft reactiepatroon op diverse stimuli. Op basis van aangetroffen verschillen zou mogelijk een test ontworpen kunnen worden, op basis waarvan op jonge leeftijd al vastgesteld kan worden of de vogel al dan niet gevoelig is voor het ontwikkelen van verenplukgedrag. 5. Experimenteel onderzoek / Vaststellen effecten van diverse stimuli en stressoren op het Tijdens de opvoeding, maar ook op latere leeftijd kunnen vogels onder experimentele omstandigheden blootgesteld worden aan (of juist onthouden worden van) diverse factoren die mogelijk van invloed zijn op het plukken, waarbij een controle groep juist niet (of wel) aan deze factoren wordt blootgesteld (evt ook middels cross-over). Na vergelijking van de beide groepen of periodes kan de mate van verenplukken (toename/afname) worden beoordeeld, waardoor het preventieve (en tevens mogelijk therapeutische) aspect van de verschillende risicofactoren kan worden geinventariseerd. Deze trials kunnen volgens een vergelijkbare wijze worden opgezet als eerder beschreven in de onderzoeken van Meehan et al (2002, 2003, 2004) en Garner (2003, 2006). Factoren die hiermee bekeken en vergeleken kunnen worden houden sterk verband met de door Lantermann (1998) aangegeven aspecten van het houden van papegaaien in gevangenschap: - Verschil handopfok vs. opvoeding door ouders - Belang van blootstelling aan een diversiteit van stimuli in socialisatiefase (rondom speenleeftijd) – vergelijking van “goede” versus “ onvolledige” socialisatie - Invloed van de grootte huisvesting (bijv. vrij op klimboom, voliere, kooi) - Invloed van kooiverrijking, waaronder bijv. aanbieden van diverse soorten speeltjes, puzzels (ter stimulatie van intellect) en voedselverrijking (waarbij de laatste een zeer bijzondere positie inneemt in verband met nabootsing van het natuurlijke gedrag in het wild) - Invloed van sociale verrijking, waarbij onderscheid gemaakt moet worden tussen sociaal contact met mensen en contact met andere vogels 6. Clinical trials (in eerste instantie onder gecontroleerde omstandigheden bij papegaaien uit een opvangcentrum, later opgezet als klinische trial bij patiënten, multicenter trials!) - Door middel van het inventariseren van effecten op het plukgedrag van het aanbieden van diverse stimuli – voedselpuzzels, omgevingsverrijking in vorm van training/knaagmateriaal/sociale contacten/… - kan worden vastgesteld wat de effecten zijn van elk van de afzonderlijke elementen op het verbeteren van het plukken. Tevens kunnen op basis hiervan conclusies getrokken worden over de preventieve en/of therapeutische waarde van het aanbieden van diverse stimuli. Er dient hierbij gestreefd te worden om elke vogel als eigen controle te laten fungeren middels cross-over (en dan volgorde van blootstelling aan beide situaties at random bepaald). Hierbij zal tevens het concept van ‘contra-free-loading’ getest worden, door de vogels in een experiment de keuze te geven tussen ‘free’ en ‘earned’ voedsel, en hun voorkeur vast te stellen. Met name dit gedragsonderzoek kan een zeer belangrijke bijdrage leveren in zowel preventie als therapie van verenpikken bij papegaaien, waarbij een sterke nadruk wordt gelegd op het belang van het kunnen uitvoeren van soortspecifiek, natuurlijk gedrag door de papegaai, waardoor stress en daardoor verenplukken gereduceerd kunnen worden. - Gebruik van diverse psychofarmaca, welke hulpmiddelen kunnen zijn in de behandeling van verenplukken, zeker wanneer de voorgestelde omgevingsveranderingen (aanbieden van adequate stimuli of elimineren van stressoren, die moeten leiden tot reductie van stress) onvoldoende effect hebben. Indien deze situatie zich voordoet is dit hoogstwaarschijnlijk het gevolg van het ontwikkelen van een vicieuze cirkel, waarbij zelfbelonend gedrag een centrale rol speelt. De interventies met psychofarmaca dienen daarom – naast mogelijk therapeutisch doel – ook vooral om een beter begrip te krijgen van de achterliggende werkingsmechanismen van verenplukken, en kunnen aantonen welke neurotransmitters en stress-systemen geactiveerd zijn wanneer een vogel gaat verenplukken. Op basis hiervan kunnen conclusies getrokken worden over het ‘nut’ van verenplukken voor de vogel, en interventies voor preventie danwel behandeling worden ontworpen. Door middel van deze (placebogecontroleerde, dubbelblinde, gerandomiseerde) trials kan een indicatie verkregen worden over welke hersenpaden een rol spelen, en of er nog verschillen zijn tussen de verschillende verenplukkende vogels (bijv. afhankelijk van duur van plukken) en hoe groot de effectiviteit is van de diverse middelen. Middelen die hierbij getest zouden worden zijn afkomstig uit de diverse groepen van psychofarmaca die momenteel ter beschikking staan: • Tricyclische antidepressiva (bijv. clomipramine) • Serotonine reuptake inhibitors (bijv. paroxetine, fluoxetine) en/of • Dopamine-antagonist (bijv. haloperidol) • Opiaatreceptor blokkers (bijv. naloxan) Verder is het van belang dat dosis en doseringsinterval worden bepaald, dat evt. bijwerkingen worden geïnventariseerd en bloedconcentraties van de medicatie en de neurotransmitters bepaald worden. Onderzoek zowel in een experimentele situatie om mee te beginnen (10 vogels per groep) en later in een clinical trial in multicenter setting. Daarbij dopamine antagonist (haloperidol) bij langdurige plukkers, opiaat receptor blokker (naloxon) bij kortdurende plukkers, met grens op 1 jaar plukken. Tricyclisch antidepressivum (seroxat, paroxetine) in automutilerende vogels. N.B.1. Op basis van deze gegevens kan wellicht in een later stadium als vervolgonderzoek verder onderzoek plaatsvinden naar de exacte hersenlocaties die een rol spelen (bijv. met immuunhistochemische kleuringen, elektrostimulatie, bepalingen van neurotransmitter niveaus op hersenniveau, deels vergelijkbaar met onderzoek van Hierden et al., 2003) - Indien geslachtshormonale invloeden van belang blijken kan gebruik van hormonale interventie (bijv. met GNRH-agonist), voor zowel preventieve als therapeutische doeleinden, worden toegepast. Daarbij dient ook te worden vastgesteld wat de hormonale niveaus zijn van de betrokken patiënten (testosteron, oestrogeen, evt. ook GNRH, LH metingen), of de behandeling ook het beoogde effect heeft (daling van de hormonale niveaus) en wat het effect is op het plukken van de vogels. Allereerst zal echter ook vastgesteld moeten worden of de implantaten ook bij gezonde vogels het gewenste effect geeft! 10. Resultaten en producten
Inzicht in oorzaken en kennis van preventieve maatregelen voor verenplukken bij papegaaien, alsmede van therapeutische maatregelen om bestaande gevallen te behandelen. 11. Doorwerking resultaten naar doelgroep(en). “Doelgroepen” dient hier breder gezien
te worden dan punt 7. Te denken valt aan beslissers over onderzoeksprogramma,
gebruikers van de resultaten van het onderzoeksprogramma, leveranciers die data
en mensen leveren voor het onderzoeksprogramma, uitvoerders & onderzoekers &
medewerkers aan de verschillende onderzoeken, onderwijsinstellingen etc. Bij
“doorwerking” valt te denken aan praktische toepasbaarheid van
onderzoeksresultaten, communicatie- en/of voorlichtingstraject t.a.v. genoemde
doelgroep(en) e.d.

Verwacht wordt dat het voorgestelde onderzoek zal leiden tot een praktisch toepasbaar advies dat zal leiden tot een significante en klinisch relevantie reductie van het probleem verenplukken bij papegaaien. De resultaten zullen volgens huidige wetenschappelijke maatstaven worden gedocumenteerd in wetenschappelijke tijdschriften. Dit zal leiden tot een verhoogde belangstelling voor de problematiek in de wetenschappelijke wereld en verder onderzoek stimuleren. Daarnaast zal in de lekenpers uitgebreid aandacht worden besteed aan de problematiek en zullen preventieve methoden aan papegaaienhouders beschikbaar worden gesteld via het landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren en liefhebbersverenigingen. Het landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren zal hierbij worden geconsulteerd over de beste wijze van communicatie naar de papegaaienhouders. Informatie wordt verder kenbaar gemaakt aan dierenartspractici voor gezelschapsdieren op het nationale veterinaire congres ‘Voorjaarsdagen’ en er zal in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde een Nederlandse voor de praktijk bruikbare samenvatting worden geschreven. Verder moet ook gedacht worden aan de brancheorganisatie (Dibevo) die met goede voorlichting toekomstige houders van papegaaien kunnen laten inzien of ze aan de eisen van het dier kunnen voldoen. 12. Looptijd onderzoeksproject en oplevering eindrapport

Zie vraag 9 looptijd = tijdspad = 4 jaar. Oplevering eindrapport binnen 6 maanden na afronding
van het project. Tussenrapportages iedere 6 maanden. Bovendien wordt door de
programmaleiding één maal per jaar een symposium georganiseerd waarop door alle
projectleiders de vorderingen worden gerapporteerd ten overstaan van alle belanghebbenden
(LNV, onderzoekswereld, doelgroepen, organisaties in de sector, LICG).
13. Begroting/specificatie kosten (personen x uren, etc.) (incl. BTW)
Voor specificatie begroting zie bijlage.
Hierbij is met name een specificatie gegeven voor wat betreft kosten van personele bezetting.
Het overige deel van het budget zal gebruikt worden voor het bekostigen van het materieel
wat benodigd is voor de diverse onderzoeken (zoals opzetten enquete in samenwerking met een onderzoeksbureau, uitvoeren van diverse laboratoriumbepalingen, aanschaf time-lapse camera, psychofarmaca en implantaten, publicatiedoeleinden, etc.). Budgetindicatie: (incl BTW) per jaar en over de totale periode.
Literatuurlijst:
Blokhuis HJ (1986). Feather pecking in poultry: its relation with groundpecking. Appl. Anim.
Behav. Sci. 16, 63-67.
Blokhuis HJ, Beuving G, Rommers J (1993). Individual variation of stereotyped pecking in laying hens. Proceedings of the 4th Symposium on Poultry Welfare, September 18-21, Edinburgh, Ireland, pp. 19-26. Buitenhuis AJ (2003). Genetic analysis of feather pecking behaviour in laying hens. PhD thesis Wageningen Universiteit, The Netherlands. Carrion VG (1995). Naltrexone for the treatment of trichotillomania: a case report. J. Clin. Psychopharmacol. 15, 444-445.
Christenson GA, Pyle RL, Mitchell JE (1991). Expected life-time prevalence of trichotillomania in college students. J. Clin. Psychiatry 52, 415-417.
Christenson GA, MacKenzie TB, Mitchell JE (1991). Characteristics of sixty adult chronic hair pullers. Am. J. Psychiatry 148, 365-370.
Christenson GA, MacKenzie TB, Mitchell JE, Callies AL (1991). A placebo-controlled, doubleblind crossover study of fluoxetine in trichotillomania. Am. J. Psychiatry 148, 1566-
1571.
Christenson GA, Ristvedt SL, MacKenzie TB (1993). Identification of trichotillomania cue profiles. Behav. Res. Ther. 31, 315-320.
Christenson GA, Mansueto CS (1999). Trichotillomania: descriptive characteristics and phenomenology. In: Stein, D.J., Christenson, G.A., Hollander, E. (Eds.) Trichotillomania. American Psychiatric Press Inc., Washington DC, USA, pp. 1-41 Christenson GA, Crow SJ (1996). The characterization and treatment of trichotillomania. Behav. Res. Ther. 34, 647-648.Davis CS (1991). Parrot psychology and behaviour problems. Vet. Clin.
North Am. Small Anim. Pract.
21, 1281-1289.
Davis C (1995). Behavior modification counselling – an alliance between veterinarian and behaviour consultant. Sem. Avian Exotic Pet Med. 4, 39-42.
Diefenbach GJ, Mouton-Odum S, Stanley MA (2002). Affective correlates of trichotillomania. Behav. Res. Ther. 40, 1305-1315.
Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorderd 4th edition (DSMIV; 1994). American Du Toit PL, van Kradenburg J, Niehaus DJH, Stein DJ (2001). Characteristics and phenomenology of hair-pulling: an exploration of subtypes. Comprehensive Psychiatry 42,
247-256.
Ellen ED, Visscher J, van Arendonk JA, Bijma P (2008). Survival of laying hens: genetic parameters for direct and associative effects in three purebred layer lines. Poult. Sci., 87, 233-
239.
Epperson CN, Fasula D, Wasylink S, Price LH, McDougle CJ (1999). Risperidone addition in serotonine reuptake inhibitor-resistant trichotillomania: three cases. J. Childh. Adolesc.
Psychopharmacol
. 9, 43-49.
Forbes NA (2002). A clinical approach to feather plucking. Proceedings of the British Veterinary Dermatology Study Group Springmeeting, BSAVA, Birmingham, England, pp. 35-44. Garner JP, Meehan CL, Famula TR, Mench JA (2006). Genetic, environmental, and neighbouring effects on the severity of stereotypies and feather-picking in Orange-winged
Amazon parrots (Amazona amazonica): an epidemiological study. Appl. Anim. Behav. Sci 96,
153-168.
Grindlinger H (1991). Impulsive feather picking in birds. Arch. Gen. Psychiatry, 857. Grindlinger H, Ramsay EC (1994). Use of clomipramine in the treatment of obsessive- compulsive behaviour in psittacine birds. J. Assoc. Avian Vet. 8, 9-15.
Hallopeau M (1889). Alopecie par grattage (trichomanie ou trichotillomanie). Ann. Dermatol. Syphil. 10, 440-411.
Harisson GJ (1986). Disorders of the integument. In: Harrison, G.J., Harrison, L.R., Ritchie, B.W. (Eds.), Clinical Avian Medicine and Surgery, WB Saunders, Philadelphia. 509-524. Huber-Eicher BA, Wechsler B (1998). The effect of quality and availability of foraging materials on feather pecking in laying hen chicks. Anim. Behav. 55, 861-873.
Hughes BO (1973). The effect of implanted gonadal hormones in feather pecking and cannibalism in pullets. Br. Poult. Sci. 14, 341-348.
Iglauer F, Rasim R (1993). Treatment of psychogenic feather picking in psittacine birds with a dopamine antagonist. J. Small Anim. Pract. 34, 564-566.Inglis IR, Forkman B, Lazarus J
(1997). Free food or earned food? A review and fuzzy model of contrafreeloading. Anim.
Behav.
53, 1171-1191.
Inglis IR, Langton S, Forkman B, Lazarus J (2001). An information primacy model of exploratory and foraging behaviour. Anim. Behav. 61, 543-557.
Jenkins JR (2001). Feather picking and self-mutilation in psittacine birds. Vet. Clin. North. Am. 4, 651-667.
Johnson CA (1987). Chronic feather picking: a different approach to treatment. Proceedings of the 1st International Conference on Zoological and Avian Medicine, AAV/AAZV, Turtlebay Hilton, Oahu, Hawaii, USA. Juppien A (1996). Verhaltensstorungen bei Grosspapageien. Dissertation, Institut fur Geflügelkrankheiten der Justig-Liebig-Universität Giessen, Giessen, Germany. Keijsers GPJ, van Minnen A, Hoogduin CAL, Klaasen BNW, Hendriks MJ, Tanis-Jacobs J (2006). Behavioural treatment of trichotillomania: two-year follow up results. Behav. Res.
Ther.
44, 359-370.Ketheun NJ, O’Sullivan RL, Hayday CF (1997). The relationship of
menstrual cycle and pregnancy to compulsive hair pulling. Psychother. Psychosom. 66, 33-37.
Kjaer JB, Hjarvard BM, Jensen KH, Hanson-Moller J, Naesbye Larsen O (2004). Effects of haloperidol, a dopamine D2 receptor antagonist, on feather pecking behaviour in laying hens.
Appl. Anim. Behav. Sci. 86, 77-91.Korte SM, Beuving G, Ruesink W, Blokhuis HJ (1997).
Plasma catecholamine and corticosterone levels during manual restraint in chicks from a high
and low feather pecking line of laying hens. Physiol. Behav., 62, 437-441.
Korte SM, Ruesink W, Blokhuis HJ (1999). Heart rate variability during manual restraint in chicks from high- and low-feather pecking lines of laying hens. Physiol. Behav. 65, 649-652.
Lantermann W (1998). Verhaltenstorungen bei Papageien: Entstehung, Diagnose, Therapie. Enke Lenane MC, Swedo SE, Rapoport JL (1992). Rates of obsessive compulsive disorder in first degree relatives of patients with trichotillomania: a research note. J. Child. Psychol. Psychiatry
33, 925-933.
Levine BS (1987). Reviewing the integumentary syndromes common to captive birds. Vet. Med. 82, 505-511.Lindqvist C, Zimmerman P, Jensen P (2006). A note on contrafreeloading in
broilers compared to layer chicks. Appl. Anim. Behav. Sci. 101, 161-166.
Lochner C, Du Toit PL, Zungu-Dirwayi N, Marais A, van Kradenburg J, Seedat S, Niehaus DJH, Stein DJ (2002). Childhood trauma in obsessive-compulsive disorder, trichotillomania, and
controls. Depression and Anxiety 15, 66-68.
Low R (2001). Papageien sind einfach anders - Eigenheiten verstehen und Verhaltensprobleme losen. Eugen Ulmer Verlach, Stuttgart.Lumeij JT, Hommers CJ (2008). Foraging ‘enrichment’
as treatment for pterotillomania. Appl. Anim. Behav. Sci. 111, 85-94.
Mansueto CS, Townsley-Stemberger RM, McCombs Thomas A (1991). Trichotillomania: a comprehensice behavioural model. Clin. Psych. Rev.17, 567-577.
Mansueto CS, Goldfinger Golomb R, McCombs Thomas A, Townsley Stemberger RM (1999). A comprehensive model for behavioural treatment of trichotillomania. Cogn. Behav. Pract. 6,
23-43.
McAdie TM, Keeling LJ, Blokhuis HJ, Jones RB (2005). Reduction in feather pecking and improvement of feather condition with the presentation of a string device to chickens. Appl.
Anim. Behav. Sci.
93, 67-80.McKeegan DEF, Savory CJ (2000). Behavioural and hormonal
changes associated with sexual maturity in layer pullets. Br. Poult. Sci. 40, S6-S7.
Meehan CL, Mench JA (2002). Environmental enrichment affects the fear and exploratory responses to novelty of young Amazon parrots. Appl. Anim. Behav. Sci. 79, 75-88.
Meehan CL, Millam JR, Mench JA (2003). Foraging opportunity and increased physical complexity both prevent and reduce psychogenic feather picking by young Amazon parrots.
Appl. Anim. Behav. Sci. 80, 71-85.
Mertens PA (1997). Pharmacological treatment of feather picking in pet birds. In: Mills, D.S., Heath, S.E. (Eds.) Proceedings of the 1st International Conference on Veterinary Behavioural
Medicine
, Birmingham, United Kingdom, pp. 209-213.Owen DJ, Lane M (2006). High levels
of corticosterone in feather-plucking parrots (Psittacus erithacus). Vet. Rec. 158, 804-805.
Oviatt LA, Millam JR (1997). Breeding behaviour of captive Orange-winged Amazon parrots. Exotic Bird Report 9, 6-7.
Owen DJ, Lane, M (2006). High levels of corticosterone in feather-plucking parrots (Psittacus erithacus). Vet. Rec. 158, 804-805.Reid TL (1992). Treatment of generalized anxiety disorder
and trichotillomania with buspirone. Am. J. Psychiatry 149, 573-574.Riedstra B (2003).
Development and social nature of feather pecking. PhD thesis Rijksuniversiteit Groningen, The
Netherlands.
Rodenburg TB (2003). Feather pecking and related behavioural characteristics in laying hens. PhD thesis Wageningen Universiteit, The Netherlands. Rosskopf WJ, Woerpel RW (1996). Feather picking and therapy of skin and feather disorders. In: Rosskopf, W.J., Woerpel, R.W. (Eds.), Diseases of Cage and Aviary birds 3rd edition, Williams & Wilkins, Baltimore, 397-405.Savory CJ (1995). Feather pecking and cannibalism. World’s Poult. Sci. J. 51, 215-219. Schlosser S, Black DW, Blum N (1994). The demography, phenomenology, and family history of 22 persons with compulsive hair pulling. Ann. Clin. Psychiatry 6, 147-152.
Schmid R (2004). The influence of the breeding method on the behaviour of adult African Grey parrots. PhD thesis, Universität Bern, Switzerland. Schmid R, Doherr MG, Steiger A (2006). The influence of the breeding method on the behaviour of adult African grey parrots (Psittacus erithacus). Appl. Anim. Behav. Sci. 98, 293-307.
Seibert LM, Crowell-Davis SL, Wilson GH, Ritchie BW (2004). Placebo-controlled clomipramine trial for the treatment of feather-picking disorder in cockatoos. J. Am. Anim.
Hosp. Assoc.
40, 261-269.
Seibert LM (2007). Pharmacotherapy for behavioural disorders in pet birds. J. Exotic Pet Med. 16, 30-37.
Slagle DA, Martin TA 3rd (1991). Trichotillomania. Am. Fam. Physician 43, 2019-2024.
Snyder NFR, Wiley JW, Kepler CB (1987). The parrots of Luquillo: natural history and
conservation of the Peurto Rican parrot. The Western Foundation of Vertebrate Zoology, Los Angeles, California, USA, p. 7. Snyder S (1980). Trichotillomania treated with amitryptilline. J. Nerv. Ment. Dis. 168, 505-
507.Spruijt BM, van Hooff JARAM, Gispen WH (1992). Ethology and neurobiology of
grooming behaviour. Physiol. Rev. 72, 825-852.
Stewart RS, Nejcek VA (2003). An open-label, flexible-dose study of olanzepine in the treatment of trichotillomania. J. Clin. Psychiatry 64, 49-52.
Swedo SE, Lennard HL, Lenane MC, Rettew DC (1992). Trichotillomania: a profile of the disorder from infancy through adulthood. International Pediatrics 7, 144-150.
Swedo SE, Lenane MC, Leonard HL (1993). Long term treatment of trichotillomania (hair pulling). N. Engl. J. Med. 329, 141-142.
Turner T (1993). Trexan (naltrexone hydrochloride) use in feather picking in avian species. Proceedings of the Annual Meeting of the Association of Avian Veterinarians, Nashville, Tennessee, USA, pp. 116-118. Van Hierden YM (2003). Behavioural neurobiology of feather pecking. PhD thesis Rijksuniversiteit Groningen, the Netherlands. Van Hoek CS, King CE (1997). Causation and influence of environmental enrichment on feather picking of the crimson-bellied conure (Pyrrhura perlata perlata). Zoo Biol. 16, 161-172.
Van Krimpen MM, Kwakkel RP, Reuvekamp BFJ, van der Peet-Schwering CMC, Den Hartog LA, Verstegen MWA (2005). Impact of feeding management on feather pecking in laying
hens. W. Poult. Sci. J. 61, 663-685.
Vestergaard KS, Kruijt JP, Hogan JA (1993). Feather pecking and chronic fear in groups of red jungle fowl: their relations to dustbathing, rearing environment and social status. Anim. Behav.
45
, 1127-1140.
Wedel A (1999). Verhaltensstorungen. In Wedel, A., Ziervogel – Erkrankungen, Haltung, Futterung. Parey-Verlag, Wien, 283-286.Woods DW, Flessner CA, Franklin ME, Keuthen NJ,
Goodwin RD, Stein DJ, Walther MR (2006). The trichotillomania impact project (TIP):
Explaining phenomenology, functional impairment, and treatment utilization. J. Clin.
Psychiatry
67, 1877-1888.
Westerhof I, Lumeij JT (1987). Feather picking in the African Grey parrot. In: Van Loen, A., et al., (Eds.) Proceedings of the European Symposium on Birds’ Diseases, Beerse, Belgium, pp.
98-103.Woods DW, Flessner C, Franklin ME, Wetterneck CT, Walther MR, Anderson ER,
Cardona D (2006). Understanding and treating trichotillomania: what we know and what we
don’t know. Psychiatr. Clin. N. Am. 29, 487-501.

Source: http://www.welzijngezelschapsdieren.nl/pdf/Aanvraag%20Verenplukken%20bij%20grijze%20roodstaart%20papegaaien.pdf

Electronic decision support system demonstrations

2ND G-I-N CONFERENCE 2004 What sources of information are GPs using for prescribing? Speaker: Bruce Arroll, University of Auckland, New Zealand Additional authors: F Goodyear-Smith, D Patrick, J Harrison and N Kerse.; University of Auckland, (This study was funded by the Ministry of Health, but the opinions are those of the authors.) The general practitioners information resources an

Katheterablation von herzrhythmusstörungen:

Für den an unserer wissenschaftlichen Arbeit interessierten Leser finden Sie im Folgenden eine Auswahl unserer 2000 – 2003 publizierten Vorträge und Kongress-Beiträgen: 1. Carlsson J. Schulte B. Erdogan A. Sperzel J. Guttler N. Schwarz T. Pitschner HF. Neuzner J. (2003) Prospective randomized comparison of two defibrillation safety margins in unipolar, active pectoral defibrillator therapy.

Copyright © 2010-2014 Health Drug Pdf